HomeShare
Artikel

Ervoor zorgen dat nieuwe apps voor in de klas ‘goede cijfers’ halen

Winnie Valbracht - Cronos

Scroll

Oktober 2015 - IT-integrator Cronos ondersteunt honderden klanten met de ontwikkeling en de uitrol van nieuwe digitale technologieën, producten en diensten. Eén van die innovaties is EduTablet, een initiatief dat door het gebruik van tablets in de middelbare school de leservaring van leerkrachten en leerlingen wil verbeteren. Cronos klopte aan bij iMinds voor een proeftuinproject waarin leerkrachten, leerlingen en educatieve uitgevers optraden als co-ontwerpers van educatieve apps.

We spraken met Winnie Valbracht van Cronos over de ervaringen van het bedrijf met de proeftuinwerking, en hoe dit project heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van toepassingen die gebruikers echt willen.

Q: Cronos helpt bedrijven in verschillende sectoren met het op maat maken en integreren van digitale oplossingen. Wat sprak jullie precies aan in de onderwijssector?

Winnie Valbracht: De toekomst van het onderwijs is digitaal. Leerlingen gebruiken buiten de schoolmuren tal van digitale toestellen en zullen van die toestellen ook gebruik maken wanneer ze gaan werken. En dus moet het onderwijs volgen. In de praktijk gebeurt dat ook: vele scholen in België hebben digitale whiteboards, ze hebben bijna allemaal computers en sommige scholen zijn aan de slag gegaan met tablets. Maar voorlopig is er gewoon nog niet genoeg content. En de content die er wel is, is niet altijd ontworpen om het meeste uit de digitale leermiddelen te halen. Dat is vooral hier in Vlaanderen een groot probleem, waar de leerstof Nederlandstalig is en er dus veel minder content beschikbaar is dan bijvoorbeeld in het Engels of het Frans. We kunnen wel wat materiaal uit Nederland hergebruiken, maar dat is niet specifiek gericht op Vlaanderen, waardoor er hiaten zijn in bijvoorbeeld geschiedkundige teksten en literatuur.

Q: Welke uitdagingen brengt het digitaliseren van informatie met zich mee?

Winnie Valbracht: Op technisch vlak is de beschikbaarheid van content een probleem. Educatieve uitgevers beschikken over heel veel materiaal, maar dat is niet geschikt voor apps of om digitaal gebruikt te worden. Er zijn ook enkele juridische en privacykwesties. Al die digitale informatie, waar zal die opgeslagen worden? Moeten scholen servers kopen? Hoe kunnen die gegevens gebruikt worden, en door wie? De juiste economische modellen opstellen is ook een uitdaging. Wie zal voor die apps betalen? Is er een model dat uitgevers zal overtuigen om te investeren in de ontwikkeling en het aanbieden van digitaal lesmateriaal? Door middel van proeftuinonderzoek hopen we — via co-creatie en continue feedback — antwoorden op die vragen te vinden, en te leren hoe die apps in de praktijk gebruikt kunnen worden.

Q: Hoe kwamen jullie bij iMinds terecht?

Winnie Valbracht: Als onderdeel van de Belgische ‘innovatie-community’ kenden wij iMinds uiteraard al. Een partner van ons, BLCC, vertelde ons over de proeftuinaanpak. BLCC is een centrum voor taalopleidingen dat zowel e-learning als klassikale lessen aanbiedt. We ontmoetten hen op een conferentie en zij nodigden ons uit om mee te werken aan het EduTablet-project. Voor EduTablet wisten we dat we directe input wilden — en nodig hadden — van scholen, technologie-aanbieders en educatieve uitgevers, om zeker te zijn dat voor tablets geoptimaliseerde content een meerwaarde voor gebruikers biedt en educatief efficiënt is. We moesten de voordelen van dit soort digitale content aantonen, want dat is wat educatieve uitgevers en scholen over de streep zal trekken om mee in dit project te stappen. De proeftuinaanpak was daar dus perfect voor.

Q: Kan je die proeftuinervaring beschrijven?

Winnie Valbracht: We begonnen in januari 2014; we zijn toen gedurende zes maanden met vragenlijsten rondgegaan op scholen. We spraken met leerkrachten en leerlingen en konden zo ontdekken wat zij verwachten van digitale apps, wat zij hopen te leren. Op basis daarvan besloten we ons toe te leggen op drie soorten toepassingen. Eén voor interactiviteit met meerdere schermen, m.a.w. leerkrachten en leerlingen helpen informatie uit te wisselen en samen te werken op tablets. Een tweede voor onderzoekend leren, waarbij leerlingen aangemoedigd worden te interageren met content, vragen te stellen, meningen te formuleren, terug te koppelen naar het systeem en hun eigen leerproces te begeleiden. En tot slot was er veel vraag naar adaptief leren. Wanneer leerlingen oefeningen aan het maken zijn, kan een app meten hoe goed ze het doen en hoe snel ze werken om aan de hand daarvan te bepalen hoe snel de lessen gegeven kunnen worden. Er is ook veel ruimte voor feedback, zodat de leerlingen kunnen laten weten hoe moeilijk of makkelijk ze de opdracht vinden, zodat we niet verdergaan voor ze klaar zijn.

Q: Gingen jullie meteen over tot de ontwikkeling van applicaties?

Winnie Valbracht: Er was een tussenfase. We vertrokken van onze drie ideeën en maakten voor enkele apps een algemeen ontwerp. We begonnen nog niet te programmeren, we beschreven gewoon de functionaliteit en het doel in een ‘klad’-versie. Daarmee gingen we terug naar de leerlingen en de leerkrachten, we toonden wat we van plan waren en verwerkten hun feedback in het uiteindelijke ontwerp. Hier bewees de proeftuinmethodologie nogmaals haar waarde, want nog voor we begonnen met het ontwikkelen van de apps, hadden we al twee keer feedback gekregen van onze gebruikers. Elke stakeholder — van de uitgevers die de inhoud samenstellen tot de leerkrachten die deze inhoud samen met hun leerlingen gebruiken — werd in elke fase van het proces betrokken. Dat maakt er echt een ‘living lab’, een proeftuin, van. We werken hier allemaal samen aan.

Q: In welke fase van het proces zitten jullie nu?

Winnie Valbracht: De drie demoversies zitten momenteel bij onze gebruikers. Ze werken er mee, geven feedback, testen alles. Van zodra we hun feedback verzameld hebben, en we een goed zicht hebben op hoe de apps werden gebruikt en hoe efficiënt ze waren, gaan we de apps verfijnen. Daarna gaan we terug naar de leerlingen en leerkrachten voor hun definitieve oordeel.

Q: Wat hebben jullie totnogtoe geleerd?

Winnie Valbracht: We zijn de uiteindelijke apps nog aan het testen. Maar één ding dat ons in een vroeg stadium verbaasde, had te maken met de spelfactor. We gingen ervan uit dat die spelfactor belangrijk is: de lessen leuk maken, voor een deel de principes van games toepassen, waarbij de leerlingen prestaties en badges moeten vrijspelen, dat soort dingen. En dat was ook heel populair bij jongere leerlingen, de 11- en 12-jarigen. Maar oudere tieners — de 16- en 17-jarigen — wilden echte beloningen. Zij waren helemaal niet geïnteresseerd in badges: zij wilden punten verzamelen, die op het einde van het jaar misschien zelfs aan hun rapport konden worden toegevoegd, bijvoorbeeld. Dat verbaasde ons wel een beetje, maar we zijn dat nu aan het integreren in onze ontwerpen.

Gerelateerd

Deze website maakt gebruik van cookies met als enige doel het analyseren van surfgedrag, zonder enige commerciële insteek. Lees er hier meer over.

Accepteer cookies