imec.livinglabs

5 min

Consumptie van digitale media neemt toe; maar vanaf wanneer wordt het nu écht problematisch?

Scroll

Uit pas gelanceerd imec - UGent onderzoek blijkt dat bijna alle Vlamingen over een of meerdere toestellen beschikken om altijd en overal online te zijn: minder dan 7% zegt thuis geen enkel slim digitaal toestel te hebben. Keerzijde van de medaille is dat meer dan één op drie aangeeft afhankelijk te zijn van sociale media of hun smartphone. En 13% voelt zich zonder meer ‘digibees’ (afhankelijk van beide, én met een significant grotere rapportering van impact op hun dagelijks functioneren – bijvoorbeeld meer gerapporteerd tijdverlies op het werk of op school). We vroegen Lieven De Marez (imec - mict - UGent), de auteur van het jaarlijkse imec digimeter-rapport, om extra toelichting bij de manier waarop de ‘homo digitalis’ digitale media gebruikt. Zijn collega Tony van Rooij (ook imec - mict - UGent) legt op zijn beurt uit wat het gebruik van digitale media met ons doet, en hoe we er op een verantwoorde manier mee kunnen omgaan.

Digitaal is het nieuwe normaal…

“Elk jaar peilen we met de digimeter – een initiatief van imec.livinglabs en de onderzoekgroep Media, Innovatie & Communicatietechnologie van imec - UGent – naar het mediagebruik in Vlaanderen. Een eerste opvallende vaststelling van de nieuwe digimeter is dat quasi elke Vlaming ondertussen over de mogelijkheden beschikt om altijd en overal online te zijn. Minder dan 7% geeft aan thuis geen enkel slim, geconnecteerd toestel te hebben,” zegt Lieven De Marez.

Tegelijk zit het gebruik van sociale media volop in de lift. Zo gebruikt 79% van de Vlamingen minstens één sociaal mediakanaal per maand (tegenover 72% in 2015); 26% gebruikt er maandelijks zelfs minstens vier. Facebook staat daarbij met stip op nummer een (69% gebruikt Facebook maandelijks).

Die cijfers zijn trouwens vergelijkbaar met wat we in het buitenland zien gebeuren: uit data van het Pew Research Center blijkt bijvoorbeeld dat – in 2016 – ongeveer zeven op de tien Amerikaanse volwassenen tenminste één sociaal mediakanaal gebruikten. En ook daar is Facebook de grootste speler: ongeveer 68% van de volwassenen maakt er gebruik van (en meer dan 90% van hen doet dat minstens op wekelijkse basis).

Lieven De Marez: “Voor heel wat mensen – in Vlaanderen, maar ook daarbuiten – is digitaal dus het nieuwe normaal geworden. De vraag is nu: gebruiken we al die slimme diensten en toestellen ook op een intelligente manier?”

… maar ook de digibesitas-trend zet zich verder door

Wat mediawijsheid betreft (de manier waarop we met die nieuwe digitale realiteit omgaan) blijkt er alvast nog wat werk aan de winkel. Door het toenemend aantal smartphones en het stijgend gebruik van sociale media zet immers ook de digibesitas-trend (gekenmerkt door een overconsumptie van digitale media) zich verder door.

“In de categorie 15- tot 39-jarigen, bijvoorbeeld, zegt één op de drie digimeter-respondenten afhankelijk te zijn van de smartphone; en vier op de tien voelen zich afhankelijk van sociale media. Een kwart voelt zich zonder meer digibees; over alle leeftijdscategorieën heen is dat 13% van de Vlamingen,” duidt Lieven De Marez.

“Ook uit buitenlandse studies blijkt trouwens dat veel mensen positief antwoorden op de vraag of zij verslaafd zijn aan hun smartphone of sociale media,” vult Tony van Rooij aan. “Anderzijds is het natuurlijk ook zo dat je lagere percentages ‘probleemgebruikers’ zal optekenen wanneer je rekening houdt met factoren zoals slaapgebrek of het laten liggen van huiswerk als gevolg van smartphonegebruik. Dan zal het aantal probleemgebruikers eerder rond de 3 à 5% schommelen. En als je inzoomt op zware functioneringsproblemen ten gevolge van digitale media, zal je ruim onder de 1% zitten. Met andere woorden: die 13% Vlamingen die aangeven digibees te zijn, zijn zeker en vast niet allemaal mensen die we plots als patiënten moeten beschouwen.”

Volgens Tony van Rooij zijn de digimeter-resultaten dan ook absoluut geen reden om plots een soort van ‘morele paniek’ te ontketenen: “Onze kinderen niet langer toegang geven tot het internet of tot digitale toestellen is bijvoorbeeld geen goed idee: het remt hen bij de ontwikkeling van digitale vaardigheden die ze later hard nodig zullen hebben. Waarmee ik uiteraard niet wil zeggen dat ouders geen oogje in het zeil moeten houden. Alles draait om het vinden van een gezond evenwicht…”

De remedie: vaardigheden en zelfregulatie

Want uiteraard heeft het gebruik van digitale media een impact op ons. Slimme toestellen en diensten maken immers handig gebruik van een aantal mechanismen – zoals pushberichten – die gewoontevorming in de hand werken.

“Door middel van die pushberichten worden we getraind om te reageren op impulsen. En dat heeft zowel een lichamelijke als een psychologische impact. Een binnenkomend bericht verstoort onze concentratie en bovendien vraagt het veel wilskracht om er niet onmiddellijk naar te kijken,” zegt Tony van Rooij.

“Anderzijds is er nog altijd geen causaal verband aangetoond tussen techno-stress en bijvoorbeeld burn-outklachten. Ook wijst kwalitatief hoogwaardig en open internationaal onderzoek uit dat mediagebruik niet per se een rechtlijnige relatie heeft met de aanwezigheid van mentale problemen. Bij matig gebruik heeft het zelfs voordelen, en maakt het deel uit van het leven. Het is gewoon een kwestie van niet te vervallen in extremen, en mensen de vaardigheden aan te leren om bewuster om te gaan met de technologie die ons omringt. Want laat ons vooral niet vergeten: op vele plekken is dit totaal geen probleem. Voor ons is de digitale revolutie dan misschien wel een wereldinnovatie geweest, maar voor kinderen bijvoorbeeld is technologie gewoon een onderdeel van het leven, net zoals een auto dat voor ons is – en het interesseert hen eigenlijk net zoveel. Wij zitten toch ook niet de hele dag na te denken over hoe geweldig een auto eigenlijk is? Die is er gewoon – met al zijn voor- en nadelen.”

Ook Lieven De Marez ziet de toekomst niet zo somber in. Tijdens het voorbije digimeter-onderzoek zagen hij en zijn team immers een vorm van zelfregulering opduiken.

“Tieners, met name, zijn al veel bewuster met deze materie bezig – door zich bijvoorbeeld tijdens examenperiodes (in de bib) van de digitale tsunami af te sluiten,” zegt hij. “En ook de twintigers en dertigers, die vaak een meer problematische relatie hebben met digitale media, gaan actief met hun ‘digitale demonen’ aan de slag.”

“Eigenlijk komt het erop neer dat ze moeten leren om die digitale technologie terug de baas te worden. Maar ook zij beginnen dus actief hun gedrag aan te passen, bijvoorbeeld door hun smartphone weg te stoppen tijdens meetings en gesprekken of door pushberichten uit te schakelen,” besluit hij.

Meer weten?

Het digimeter-rapport is een initiatief van imec.livinglabs en haar onderzoekers binnen de onderzoeksgroep Media, Innovatie & Communicatietechnologie (mict) van imec - UGent. De imec digimeter wordt geproduceerd op basis van zelf-gerapporteerde data uit een enquête die elk jaar wordt voorgelegd aan een – statistisch representatieve – groep van meer dan 2.100 Vlamingen (vanaf 15 jaar). De data worden gebruikt in het kader van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, en worden dus niet vrijgegeven voor commerciële doeleinden. Meer info: www.imec.be/digimeter

Biografie Lieven De Marez

Professor Lieven De Marez is onderzoeksdirecteur bij de onderzoeksgroep voor Media, Innovatie en Communicatietechnologie (imec - UGent). Lieven behaalde een Master in de communicatiewetenschappen (1999) en marketing (2000) en schreef een doctoraat over de 'Verspreiding van ICT-innovaties: nauwkeuriger gebruikersinzicht voor betere introductiestrategieën'. Zijn expertise ligt vooral bij de ontwikkeling van 'voorspellende segmentatie’-tools voor pre-launch adoptiemodellen voor nieuwe media en ICT-innovaties. Als hoofd van imec - mict - UGent en manager van de media-activiteiten van imec.livinglabs probeert hij voortdurend nieuwe methodologieën te verkennen. Belangrijkste doelen zijn het begrijpen van nieuwe media gebruikspatronen en de impact van nieuwe media & ICT en het meer user-centric maken van media-innovatie. Binnen de afdeling communicatiestudies van UGent coördineert hij de Master 'Nieuwe media en maatschappij'.

Biografie Tony van Rooij

Tony van Rooij behaalde een doctoraat in de Psychiatrie/Klinische Psychologie van het Erasmus Universitair Medisch Centrum / IVO Addiction Research Institute in Rotterdam (2011). Zijn promotieonderzoek ging over het overmatig gebruik van videospellen en had als titel 'Online Video Game Addiction: Exploring a New Phenomenon’. In zijn lopende onderzoeksprojecten bij imec - mict - UGent richt hij zich op het gebruik van videospellen voor gezondheidstoepassingen, verantwoord online gokken, en ouderlijke controle op het gamegedrag van kinderen.

Deze website maakt gebruik van cookies met als enige doel het analyseren van surfgedrag, zonder enige commerciële insteek. Lees er hier meer over.

Accepteer cookies