5 min

Slimme apps voor slimme steden

Doctoraalscriptie van VUB & imec geeft vuistregels voor een succesvolle uitrol van apps in steden.

Scroll

Slimme steden communiceren met hun burgers via slimme apps: mobiele toepassingen die het leven en werken in de stad zoveel aangenamer maken. Het aantal apps waarmee burgers aan de slag kunnen, swingt ondertussen de pan uit. Sommige worden aangeboden door commerciële spelers, terwijl andere gratis ter beschikking worden gesteld door de lokale overheid. Maar op welk type apps moeten slimme steden nu echt inzetten?

Nils Walravens (imec - VUB) helpt beleidsverantwoordelijken het bos door de bomen te zien. In zijn doctoraalscriptie gaat hij dieper in op de rol van de stad wat het aanbieden van slimme stadsapps betreft. Voor ons geeft hij alvast een aantal vuistregels mee.

Slimme stadsapps: wat werkt, en wat niet?

Via onze smartphone heeft ieder van ons toegang tot honderden slimme stadsapps. Er bestaan bijvoorbeeld apps die het verband leggen tussen tijdstip, verkeersdrukte en luchtverontreiniging; informatie waarop we onze dagelijkse wandeling of fietstocht kunnen afstemmen. In New York bestaat er zelfs een ‘nietdoorspoelen-app’ die, bij zware regenval en overbelasting van het rioleringsstelsel, bewoners laat weten wanneer ze beter wel (of niet) hun toilet doorspoelen. Anderzijds worden via deze applicaties ook nieuwe data gegenereerd – over mobiliteitspatronen of kapotte straatverlichting, bijvoorbeeld – waarmee beleidsmakers hun stad nog beter kunnen afstemmen op lokale behoeften.

Een win-win dus, zou je denken. In de praktijk blijkt echter dat vele beleidsmakers vooralsnog in het duister tasten over hoe ze hun burgers het beste kunnen bedienen via slimme stadsapps. Ze worstelen onder meer met het vraagstuk in welke applicaties ze zelf moeten investeren en waar ze de markt kunnen laten spelen.

Als onderdeel van zijn doctoraalscriptie ging Nils Walravens (imec - VUB) daarom op zoek naar wat werkt in het slimme stadsapp-landschap en wat niet – en hoe een stad zich op de meest ideale manier in deze waardeketen kan positioneren. Hij startte met een brede inventarisatie van Europese en Amerikaanse slimme stadsapps en onderzocht het succes ervan op basis van een aantal parameters (grote versus kleine stad, adoptiegraad van de toepassingen, enz.). Daarna maakte hij meer specifiek een overzicht van een driehonderdtal apps gerelateerd aan de stad Brussel – en probeerde hij ook daarvan de impact te beoordelen (aan de hand van onder meer ratings en downloadstatistieken). Door die inzichten te vertalen in concrete tips geeft hij steden een houvast bij het definiëren van hun slimme stadstrategie.

Het sleutelconcept: ‘publieke waarde’

“Publieke waarde is een bijzonder belangrijke barometer om te bepalen waar de overheid in dit verhaal echt het verschil kan maken,” aldus Nils Walravens. “We moeten daarbij een onderscheid maken tussen directe en indirecte publieke waarde. Slimme stadsapps met een directe publieke waarde zijn vooral nuttig voor individuele gebruikers, en focussen op de korte termijn. Denk bijvoorbeeld aan informatie-apps die je de openingstijden van winkels of nuttige plaatsen in je buurt tonen. Van zulke toepassingen heb ik talloze voorbeelden teruggevonden; eigenlijk is dat een markt die spontaan – en grotendeels – door commerciële partners wordt afgedekt.”

“Lokale overheden daarentegen zouden veeleer moeten inzetten op het aanbieden van slimme stadsapps met een indirecte publieke waarde, die het collectieve belang op langere termijn dienen. We spreken dan eerder over toepassingen waarmee burgers bijvoorbeeld zwerfafval kunnen signaleren, of schade aan fietspaden. Dat soort apps kwam ik veel minder frequent tegen; en als ze al beschikbaar waren, werden ze amper gebruikt – omdat ze zich vaak nog in een experimenteel stadium bevonden.”

Met andere woorden: vele steden zijn eigenlijk nog niet klaar voor het aanbieden van dergelijke diensten. De app op zich is misschien wel snel gemaakt – maar voor het succesvol uitrollen van slimme stadsapps is heel wat meer nodig!

Denk op lange termijn, duid een verantwoordelijke aan, focus op open data – en werk samen!

Een eerste belangrijke succesfactor bij het uitrollen van slimme stadsdiensten is de definitie van een langetermijnvisie en de aanstelling van een verantwoordelijke om die visie van nabij op te volgen. Op die manier kunnen lokale overheden immers beter de gevolgen inschatten van de keuzes die ze vandaag maken – gaande van partnerships en financiering tot duidelijke afspraken over hoe slimme stadsdata precies gebruikt mogen worden.

“Dat data het nieuwe goud is, is ondertussen een beetje een boutade geworden. Maar als je slimme stadsapps met een indirecte publieke waarde wil gaan ontwikkelen en aanbieden, dan zijn goede – en open – data inderdaad een absolute noodzaak. En het gaat daarbij zeker niet alleen om realtime sensorinfo, maar ook om het ter beschikking stellen en linken van statische informatie – zoals geografische data of stratenlijsten,” duidt Nils Walravens. “Of anders gezegd: eerst de data, en dan pas de apps!”

Dat is ook de filosofie achter het ‘Smart Flanders’-initiatief dat de Vlaamse Regering in januari 2017 boven de doopvont hield; een programma waarin de Vlaamse overheid en imec de 13 Vlaamse centrumsteden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel zullen ondersteunen om hun smart city-data open te stellen. Dat zal gebeuren volgens de nieuwste Europese standaarden en formaten, zodat iedereen die gegevens optimaal kan benutten om slimme toepassingen te ontwikkelen.

“Bedoeling is dat we die steden de volgende drie jaar intensief zullen begeleiden op hun ‘open data’-traject. We zullen hen niet alleen ondersteunen bij het ontwikkelen van een visie – maar staan ook voor hen klaar bij het kiezen van standaarden en het definiëren van een onderliggende open data-architectuur,” zegt Nils Walravens. “In lijn met de aanpak van de Nederlandse gemeente Eindhoven, bijvoorbeeld, zullen we hen bovendien helpen vastleggen hoe de verschillende betrokken partijen met alle open data mogen omgaan. En naast de activiteiten die vanuit imec Brussel georganiseerd worden, kunnen ze terecht in onze City of Things-proeftuin voor het opzetten en evalueren van piloottesten.”

Dat het niet de bedoeling is dat elke stad telkens opnieuw het warm water uitvindt, blijkt trouwens ook uit gelijkaardige initiatieven in het buitenland – zoals het ‘Six City’-programma in Finland, waarbij zes steden (en hun partners) tussen 2014 en 2020 samen ongeveer 100 miljoen euro zullen investeren in slimme stadstoepassingen op het gebied van slimme mobiliteit, propere technologie, open data, enz. Elk vanuit hun eigen specifieke noden, maar wel met aandacht voor het gebruik van open standaarden bijvoorbeeld.

Een ander – pan-Europees voorbeeld – is het ‘SELECT for Cities’-initiatief waarin Antwerpen, Helsinki en Kopenhagen samen met zes partners (waaronder imec) op zoek gaan naar bedrijven die hen kunnen helpen een grootschalig Internet of Things (IoT)-platform te ontwikkelen. “Een mooi voorbeeld van wat we ‘precommercial procurement’ noemen,” zegt Nils Walravens. “Bedrijven en ontwikkelaars die interesse hebben om hier hun steentje toe bij te dragen, kunnen trouwens nog steeds deelnemen aan het tender-proces dat loopt tot 14 april.”

“Tot slot: onderneem deze reis niet alleen: het is niet evident om dit allemaal in de praktijk te brengen,” besluit Nils Walravens zijn advies. “Slimme stadsprojecten zijn immers ontzettend veelzijdig en vereisen continue interactie tussen overheid, commerciële partners en burgers. Onderzoeksinstellingen zoals imec hebben de domeinexpertise – van technische standaardisatie en bestuurskundige afwegingen tot co-creatie en proeftuinonderzoek – om hierin een dragende rol te spelen en de zogenaamde ‘quadruple helix’ te vervolledigen. Samenwerking zal absoluut cruciaal zijn om op termijn een rijk aanbod aan commerciële en publieke apps uit te bouwen waarmee we de levenskwaliteit in onze steden echt kunnen verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan een multimodale verkeersapp die met heel veel verschillende data rekening houdt, en toch super-gepersonaliseerd advies geeft. Dat is een streefdoel dat we enkel kunnen bereiken wanneer we de juiste spelers aan boord hebben, hen op één lijn krijgen, en voldoende data uit verschillende sectoren kunnen ontsluiten en linken.”

En wat met de burger?

Indien je meer wil lezen over hoe de burger in dit plaatje past, en hoe we kunnen vermijden dat we een maatschappij met twee snelheden creëren – waarin sommige mensen digitaal worden uitgesloten – bekijk dan zeker even het volgende opiniestuk van imec - VUB-collega Ilse Mariën:

Biografie Nils Walravens

Nils Walravens studeerde in juli 2007 cum laude af als Master in de Communicatiewetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij deed dat met een proefschrift over de invoering van hogedefinitietelevisie in Vlaanderen, beschouwd vanuit een politiek-economische invalshoek.

Nils ging in augustus 2007 aan de slag bij imec - SMIT - VUB als onderzoeker in de cluster Media, Market & Innovation. Hij is gespecialiseerd in het onderzoek naar bedrijfsmodellen in zowel de mobiele sector als de mediabranche. Hij werkte mee aan korte adviesopdrachten, nationale imec-projecten en Europese FP6-, FP7- en H2020-projecten.

In 2011 begon Nils aan een vierjarig project in het kader van ‘Prospective Research for Brussels’, gefinancierd door Innoviris en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Doel van het project was het bepalen van beleidsaanbevelingen op het vlak van bedrijfsmodellen en platformontwikkeling voor mobiele stadsdiensten, in de context van een zich steeds verder ontwikkelende mobiele sector. Dat onderzoek leidde tot een doctoraalscriptie over slimme steden en de publieke waarde die via apps kan worden gecreëerd. Nils verdedigde de scriptie in oktober 2016 met succes. Nu werkt hij als senioronderzoeker in het Smart Cities-team van imec - SMIT - VUB en coördineert hij het project Smart Flanders.

Deze website maakt gebruik van cookies met als enige doel het analyseren van surfgedrag, zonder enige commerciële insteek. Lees er hier meer over.

Accepteer cookies